Historie van Kung Fu

Kung Fu heeft zijn oorsprong in China. Omstreeks 1500 jaar geleden kwam de Indiase monnik Bodhidharma (door de Chinezen Ta Mo genoemd) na vele omzwervingen terecht bij het shaolin Da Fa Wang klooster op de berg Songshan, gelegen in de provincie Henan, Noord China.

Hij vestigde zich in dit klooster en introduceerde een aantal conservatieve boedhistische gebruiken. Hij constateerde dat de monniken vaak insliepen tijdens de meditatie en verliet de tempel voor 9 jaar om in afzondering een oplossing voor dit probleem te vinden.

Bij zijn terugkomst introduceerde Ta Mo een aantal oefeningen ter verhoging van het uithoudingsvermogen die de monniken in staat moesten stellen om de meditatie geheel bewust mee te kunnen maken. Deze oefeningen worden de achttien handen van Luo-Han genoemd. De vechtkunst toepassing van deze technieken kwam pas later.

Shaolin kung fu is niet de eerste vorm van Chinese kung fu. De ontwikkeling van kung fu was namelijk een proces dat zich heel geleidelijk heeft voltrokken. Zo kregen onze voorouders naarmate zich meer ontwikkelden, steeds meer het besef dat de stokken, dorsvlegels en andere hulpmiddelen waarmee ze het land bewerkten, ook konden worden gebruikt ter verdediging tegen dieren of menselijke vijanden.

Naarmate sociale groepen zich verder ontwikkelden namen de vechttechnieken steeds meer militarische vormen aan, aangezien de verschillende groepen vaker tegenover elkaar kwamen te staan om de macht over bepaalde stukken land te veroveren. Mensen zochten dus steeds meer naar methoden om hun lichamen sterker te maken en hun wapens effectiever. Dit vormde uiteindelijk de basis voor de ontwikkeling van allerlei kung fu vormen en wapen technieken.

Doordat de kennis van kung fu zich in de loop van de tijd verspreidde over heel China, werd de beoefening ervan ook steeds diverser. Er ontstonden talloze verschillende stijlen. Een groot deel van deze stijlen was geïnspireerd door de natuur, hetgeen we nu nog terugvinden in de grote diversiteit van dierstijlen die worden getraind, waarvan de vijf belangrijkste zijn: draak (lung), tijger (hu), kraanvogel (hao), slang (she) en panter (bao). Deze vijf dieren zijn gecombineerd in de vijf dieren stijl van shaolin waarbij de draak, als het dier dat geen dier is, symbool staat voor de beheersing van de (andere) vier basisdierstijlen. Verder zijn er nog andere bekende dierstijlen zoals bidsprinkhaan en aap, en wat minder bekende zoals phoenix en adelaar.

Daarnaast zijn er ook stijlen die weer een andere oorsprong kennen, zoals de dronkemansstijl, de bloesemstijl, maar ook stijlen die genoemd zijn naar de familie, of kenmerken van de oprichter van de stijl, bijvoorbeeld de witte wenkbrauw stijl.

In grote lijnen zijn de huidige kung fu stijlen in te delen in Noord en Zuid Chinees, en intern en extern. Met betrekking tot de interne danwel externe oriëntatie van kung fu stijlen is er geen kung fu stijl die uitsluitend het ene of het andere is. Interne kung fu stijlen richten zich met name op de ademhaling als middel om de levenskracht - de Chi- te versterken, en daarmee de conditie van de interne organen te verbeteren. Van oorsprong zijn deze stijlen vooral gericht op persoonlijke ontplooiing en spirituele groei. Voorbeelden van interne stijlen zijn Hsing-I, Chen Tai Chi en Iron Hand.

Externe kung fu stijlen richten zich echter meer op fysieke training om het lichaam in een zo goed mogelijke conditie te brengen. Deze stijlen richtten zich oorspronkelijk op het gevecht, de confrontatie. Voorbeelden van externe kung fu stijlen zijn Hung Gar en Wing Chung.

Tegenwoordig is echter te zien dat interne stijlen zich ook meer richten op vergelijking met anderen en competitie en dat externe kung fu stijlen ook steeds meer aandacht vestigen op het innerlijke.

Samenvattend is te zeggen dat kung fu zich door de eeuwen heen heeft ontwikkeld tot een zeer diverse vechtkunst, die de beoefenaar ervan een enorme verrijking biedt op zowel fysiek als mentaal gebied. Doorzettingsvermogen en zelfdiscipline zijn nog steeds vereisten om een hoog niveau te bereiken. Zelfredzaamheid, zelfvertrouwen en concentratievermogen zijn slechts enkele van de vruchten die men kan verwachten door het trainen van kung fu.